Sla inhoud over

Persbericht

Langer doorwerken niet lonend voor oudere werknemers
 
Oudere werknemers verlaten vroegtijdig de arbeidsmarkt, omdat langer doorwerken niet loont. De pensioeninkomsten die zij mislopen als zij langer doorwerken – de zogenaamde impliciete belasting op het looninkomen – zijn te hoog. Pas als langer doorwerken weer lucratief wordt, zijn oudere werknemers bereid om op latere leeftijd te stoppen met werken.
 
Dit is de belangrijkste conclusie uit het onderzoek ‘Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding’ dat de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam (SEO) in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling heeft uitgevoerd. De onderzoekers komen tot deze conclusie na een vergelijking van de arbeidsparticipatie van oudere werknemers en de financiële mogelijkheden om vervroegd te stoppen met werken in acht landen. Daaruit blijkt dat de vormgeving van het pensioen- en sociale zekerheidsstelsel een sterke samenhang vertoont met het aantal ouderen dat nog actief is op de arbeidsmarkt. In landen waar werknemers een vast deel van hun inkomen in een spaarpotje stoppen waarvan later het pensioen wordt betaald (het defined contribution spaarsysteem) stoppen mensen op een latere leeftijd met werken dan in landen waar mensen premie betalen voor een pensioeninkomen dat al van te voren vastligt (bijvoorbeeld 80 procent van het laatstverdiende loon, het defined benefit spaarsysteem). Algemeen geldt dat in landen waar prepensioenregelingen en sociale uitkeringen zowel financieel aantrekkelijk als eenvoudig toegankelijk zijn, de arbeidsparticipatie relatief laag is. Als aan één van deze twee voorwaarden niet is voldaan, is de arbeidsparticipatie aanmerkelijk hoger.
 
In de afgelopen tien jaar is de arbeidsparticipatie van werknemers van 55 tot 65 jaar spectaculair gestegen: van 25 procent in 1993 tot ruim 40 procent in 2003. Die stijging kan mede worden verklaard door het lonender maken van langer doorwerken en de gelijktijdige inperking van de toegang tot de WAO. Daaruit trekken de onderzoekers de conclusie dat financiële prikkels om oudere werknemers langer aan het werk te houden inderdaad werken. De arbeidsparticipatie van oudere werknemers kan nog verder worden verhoogd, niet zozeer door vervroegde pensionering minder aantrekkelijk te maken, maar door langer doorwerken juist lucratiever te maken. De onderzoekers suggereren daarvoor een aantal maatregelen.
 
Ten eerste zou het prepensioenstelsel actuarieel neutraler moeten worden gemaakt. Dat betekent dat mensen die langer doorwerken een hoger pensioen krijgen dan mensen die eerder stoppen met werken. Dat gebeurt in beperkte mate al bij bestaande prepensioenregelingen, maar in een neutraal stelsel compenseert het hogere pensioen precies het misgelopen pensioen in de gewerkte jaren plus de extra betaalde pensioenpremies. Oudere werknemers kunnen in dat geval zelf kiezen of zij de voorkeur geven aan meer vrije tijd (eerder stoppen met werken) of aan meer inkomen (langer doorwerken).
 
In de tweede plaats kan de spaarvorm voor het pensioen zodanig worden gekozen dat doorwerken veel duidelijker dan nu leidt tot een hogere pensioenuitkering. In plaats van het gangbare defined benefit spaarsysteem, waarbij de pensioenuitkering min of meer van te voren vaststaat, kan voor een defined contribution spaarsysteem worden gekozen, waarbij het spaarpotje en het pensioen dat daaruit wordt gefinancierd blijft groeien zolang men blijft werken. Men dient zich wel te realiseren dat het financiële risico dan verschuift van het collectief naar de individuele werknemer.
 
Tenslotte wijzen de onderzoekers erop dat de verschillende uittredingsmogelijkheden - WAO, werkloosheid en (pre)pensioen - werken als communicerende vaten. Als de ene uittredingsmogelijkheid minder aantrekkelijk wordt gemaakt, dan stijgt de druk op andere uittredingsmogelijkheden. Bij alle te nemen maatregelen is het daarom belangrijk om een samenhangend beleid te voeren, waarin met al deze mogelijkheden rekening wordt gehouden.
 

RMO-werkdocument 3, Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding, Inge Groot en Arjan Heyma (SEO), Den Haag, RMO, september 2004. De publicatie is uitsluitend verkrijgbaar bij de RMO en is te vinden op de website van de RMO  www.adviesorgaan-rmo.nl en die van het SEO www.seo.nl
Voor nadere informatie kunt u zich wenden tot mw.dr M. Mootz, RMO-projectleider, 070-340.6080