Sla inhoud over

Samenvatting

Wijkgericht werken is populair, zowel bij het rijk als binnen gemeenten. Onder druk van de vermeende kloof tussen burger en politiek zien bestuurders en politici  de wijk als geschikt schaalniveau om met die burger in gesprek te gaan en te werken (het liefst ontkokerd en integraal) aan allerlei maatschappelijke problemen. Tegenover deze positieve verwachtingen en inspanningen staan echter ook sceptische geluiden, bijvoorbeeld over de projectencarrousels en de bestuurlijke drukte die met wijkgericht werken gepaard gaan.

De Raad meent dat wijkgericht werken vraagt om een subtiel samenspel van burgers, maatschappelijke organisaties en overheid. Een zorgvuldige inzet van wijkgericht werken is noodzakelijk om te voorkomen dat het aan (te) hoge verwachtingen ten onder gaat. Niet alleen zou dit ten koste gaan van de positieve effecten van wijkgericht werken, ook kan dit ertoe leiden dat de overheid zich voortdurend in een slingerbeweging bevindt van wel en geen wijkgericht beleid. Om te komen tot een goede inrichting van de wijk als werkterrein voor professionals, ambtenaren en bestuurders hebben we ons de volgende vraag gesteld: Hoe kunnen verwachtingen van wijkgericht werken in overeenstemming worden gebracht met de feitelijke mogelijkheden ervan?

Voor het beantwoorden van deze vraag is de relatie tussen enerzijds de wijk en anderzijds achtereenvolgens de bewoners, de (vermeende) maatschappelijke problemen en de professionals geanalyseerd. Welke band en welk belang hebben bewoners bij hun wijk? Hoe zijn maatschappelijke problemen als werkloosheid, sociale onveiligheid en multiprobleemgezinnen precies gerelateerd aan de wijk, zowel in hun oorzaken als in hun mogelijke oplossingen? En welke rol willen en kunnen publieke professionals (politie, justitie, welzijnsmedewerkers, wijkcoördinatoren enzovoort) in de wijk spelen? Uit deze analyses komt een gemengd en genuanceerd beeld naar voren, voornamelijk afhankelijk van het type bewoner, maatschappelijk probleem en professional. Hoogopgeleiden zonder kinderen hebben bijvoorbeeld weinig binding met de wijk, maar zij hebben wel belang bij de wijk. En werkeloosheid mag zich dan wel concentreren binnen bepaalde wijken, van een getto-effect is in Nederland nauwelijks tot geen sprake. Oplossingen bij dit probleem liggen strikt genomen ook niet op wijkniveau, al kan het stimuleren van een ‘wijkeconomie’ wel positieve neveneffecten hebben. Professionals als politie en justitie tot slot ervaren weliswaar de wijk steeds meer als geschikt werkterrein, maar hun relatie met de wijk is zeker niet automatisch succesvol. Een wijkgerichte oriëntatie stelt hoge eisen aan hun professionaliteit, aan de inrichting van hun organisaties en aan de verschillende controle- en verantwoordingsstructuren.

Om het wijkgericht werken beter te benutten, aldus de boodschap van dit advies, is het van belang om de ‘wijkschaal’ niet aan professionals en bewoners dwingend op te leggen. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het in de huidige context van wijkgericht werken met zijn eigen ‘wijkjargon’ en zijn inhoudelijke, meetbare doelstellingen op wijkniveau en de daarmee samenhangende hoge verwachtingen zeker niet. Professionals zullen enerzijds de wijk als vindplaats voor problemen kunnen benutten, maar anderzijds zullen zij vaak ook de wijk moeten laten voor wat het is en verbindingen met professionals, bewoners en overheden elders moeten leggen. Een te strak ‘wijkkeurslijf’ belemmert dat (andere) beloftevolle initiatieven van onderop tot ontwikkeling komen .

Bestaat er dan een gedetailleerd afwegingenkader aan de hand waarvan bestuurders en professionals kunnen bepalen wat ze wel en wat ze niet op wijkniveau kunnen aanpakken? Ondanks dat het advies schetsmatig hiertoe wel een poging doet, wil de Raad elke suggestie in deze richting vermijden. Een dergelijk ‘handboek’ zou geen recht doen aan de complexe diversiteit en onvoorspelbaarheid van zowel de maatschappelijke problemen als de wijze waarop bewoners en professionals zich tot die problemen verhouden. Misschien is het daarom ook beter te spreken van ‘gericht werken’ dan van ‘wijkgericht werken’.