Samenvatting
Opvoeding is een zaak van het individu geworden
‘Twee is te weinig,’ zegt Marcus, de jonge hoofdpersoon in de roman About a boy van Nick Hornby. Hij leeft alleen met zijn moeder, die soms ten prooi valt aan depressies, en is zich bewust van zijn eigen kwetsbaarheid in die wankele situatie. Gelukkig heeft hij er aan het einde voor gezorgd dat een heel netwerk van vrienden en familie is ontstaan.
Het verhaal van Marcus is een mooie illustratie van waar het in dit advies van de RMO en de RVZ over gaat: de noodzaak van een sterke sociale inbedding voor gezinnen. De afgelopen decennia hebben we echter gezien dat de sociale kring om gezinnen heen steeds meer op afstand is komen te staan – letterlijk en figuurlijk.
Familie en vrienden wonen lang niet altijd op loop- of fietsafstand. Collega’s weten meestal meer over elkaars vergaderstijl dan over elkaars kinderen. Niet zelden kennen buren elkaar alleen van de dagelijkse gang naar de auto. In de supermarkt let de caissière op kinderen die naar een tekenfilm zitten te kijken, zonder te weten wie de ouders zijn.
De cirkel om gezinnen heen is ook meer verbrokkeld geraakt. Hij bestaat uit individuen die elkaar lang niet allemaal kennen. Een deel van het netwerk wordt bovendien ingehuurd – om op te passen, drumles te geven, te begeleiden bij het huiswerk maken. Mensen zijn dus vaak betrokken vanuit één bepaalde rol. Zij kennen maar één facet van ons en wij maar één facet van hen.
Deze invulling geeft veel vrijheid – een vrijheid die ook past in onze sterk geïndividualiseerde samenleving, met zijn nadruk op autonomie. Ons sociale netwerk is niet langer gewoon aanwezig: we creëren het en sturen het aan. Ook opvoeden is in deze setting een kwestie van individuele verantwoordelijkheid geworden. Daarbij blijken we ook nog eens weinig met elkaar te praten over de dilemma’s die dat met zich meebrengt.
De natuurlijke betrokkenheid van een naaste omgeving vol mensen die om ons en onze kinderen geven, is minder vanzelfsprekend. Als er problemen of uitdagingen zijn – en die zijn er natuurlijk in veel gezinnen – kan blijken dat de losse sociale inbedding ook wel degelijk nadelen heeft.
De overheid is de rol van risicotaxateur en hulpverlener gaan vervullen
Je zou kunnen zeggen dat de overheid in het gat is gesprongen dat door deze lossere sociale structuur is ontstaan. Steeds meer houdt zij een oogje in het zeil. De aanleiding lag misschien bij de vreselijke incidenten die we allemaal kennen, maar de oorzaak ligt eerder bij de lossere sociale verbanden.
In het moderne Nederland zijn er minder mensen die op gezinnen letten en die zijn steeds vaker professionals. Er is een heel instrumentarium ontwikkeld om zicht te krijgen op de kinderen die risico lopen – bijvoorbeeld doordat hun moeder nog een tiener is, of doordat ze opgroeien in moeilijke sociaaleconomische omstandigheden.
Die ontwikkeling krijgt bovendien steeds meer vaart. Met de voortschrijdende kennis over indicatoren, diagnostiek en interventies wordt het mogelijk om kinderen steeds vroeger te identificeren als risicogeval en lijkt het steeds aantrekkelijker om hen een traject aan te bieden. En zitten ze eenmaal in de trein,
dan gaat die door.
Daardoor is er in onze vrije samenleving toch steeds meer controle
Inmiddels is door deze ontwikkelingen een tegenstrijdigheid ontstaan. We hechten zeer aan onze vrijheid, met als gevolg minder sociale inbedding. Tegelijk hebben we behoefte aan opvang als het mis gaat en is er de algemene roep dat de overheid risico’s indamt. De overheid heeft daar ook gehoor aan gegeven. Gevolg: steeds vaker kijkt zij in onze geïndividualiseerde huishoudens binnen om te zien of het allemaal wel goed gaat – en grijpt eventueel ook in.
Natuurlijk heeft de overheid een belangrijke rol te vervullen als er ernstige problemen zijn. Ook effectieve programma’s waarmee risico’s voor grote groepen kinderen worden beperkt behoren tot haar verantwoordelijkheid.
Maar hoe ver moeten we gaan met deze aanpak?
Door de huidige focus op risico’s en problemen lijkt de overheid haast een persoonlijke relatie aan te gaan met gezinnen. Zij is betrokken, maar niet langer – wat wij toch eigenlijk van onze overheid verwachten als het om opvoeding gaat – op afstand. Hulpverleners, docenten, jeugdzorgwerkers, consultatiebureaumedewerkers: deels uit naam van de overheid kijken zij, noteren zij en grijpen zij in.
De spanning die dit met zich meebrengt is voelbaar in de discussies die oplaaien als nieuwe stappen worden gezet op deze weg van risicotaxatie en interventies. Hoe dicht mag de overheid de drempel naderen om ons te monitoren? Wanneer mag zij binnenkomen? Welke interventies zijn dan gerechtvaardigd? Het lijkt erop dat we steeds heen en weer geslingerd worden tussen de behoefte aan afstand en betrokkenheid.
De oplossing voor het dilemma ligt in een andere focus
Daarmee draaien we ons steeds verder vast in een klem. Hoe individueler wij gaan leven, hoe dichter de overheid onze persoonlijke levenssfeer zal naderen, om zo te compenseren voor het gebrek aan steun in onze sociale omgeving. Maar die compensatie zal altijd heel gebrekkig zijn, omdat de overheid een ondersteunende sociale omgeving bestaande uit familie, vrienden en buren nu eenmaal niet kan vervangen. En hoe meer de overheid alles regelt, hoe minder de sociale omgeving nog geactiveerd zal worden.
Het antwoord is dan ook niet om door te gaan op deze weg. Dat leidt tot nog meer risicotaxaties en trajecten. Deze instrumenten hebben zeker een plaats, moeten ook niet overboord, maar de ontwikkeling als geheel is doorgeslagen. We zijn te veel gaan focussen op de 15 procent kinderen waar iets mee aan de hand is. Daardoor denken we te weinig na over een gunstig opgroeiklimaat voor àlle kinderen.
Hoe herstellen we de balans? Door beleid minder eenzijdig vanuit het risicoperspectief te benaderen en de focus te verleggen naar de kracht van de sociale omgeving. De overheid kan daarbij betrokken zijn, zonder zelf steeds dichter naar onze voordeur te komen. Juist op afstand kan zij ons stimuleren om contact te leggen met de mensen in onze naaste omgeving en de bronnen van steun en wijsheid die daar beschikbaar zijn beter te benutten.
Meer sociale inbedding biedt kansen voor een beter opgroeiklimaat
De overheid moet zich dus meer gaan richten op het bevorderen van de sociale inbedding van gezinnen. Dat begint al op het niveau van de samenleving. Kinderen moeten niet gezien worden als lastig en een last, maar als een geluk waar iedereen op zijn eigen manier in kan delen en waar iedereen ook een rol in speelt.
In de directe sociale omgeving is betrokkenheid bij gezinnen en kinderen ook van groot belang. Dat zorgt voor diversiteit en veerkracht. In het boek van Nick Hornby leert de egocentrische vrijgezel Will de jonge Marcus bijvoorbeeld om ‘cool’ te worden, iets waar zijn lieve maar tobberige moeder – met haar zelfgebreide truien en muzieksmaak uit de jaren zeventig – geen kijk op heeft. Terwijl Will zelf ontdooit, leert hij Marcus wat hij moet doen om niet langer het mikpunt van pesterijen te zijn.
Een gevarieerde sociale omgeving is ook cruciaal voor de morele ontwikkeling van kinderen. We zijn vaak geneigd om te denken dat hun geweten door instructie wordt aangestuurd. In werkelijkheid ontwikkelt moreel besef zich door te leven in een rijk sociaal netwerk met langdurige relaties. Het is als met het leren van een taal. Is de gelegenheid in de kindertijd gemist, dan zal het altijd lastig blijven. Correcties later in het leven zullen altijd gebrekkig blijven in hun effect.
De overheid moet minder direct ingrijpen en meer voorwaarden creëren
Hoe zou de overheid kunnen bevorderen dat de sociale inbedding van gezinnen wordt versterkt? Daarvoor is naast het huidige beleid een andere beleidsbenadering nodig. Er zal nog steeds plaats zijn voor risicotaxaties en interventies bij probleemgezinnen en gezinnen waar problemen te verwachten zijn.
Maar daarnaast moet een andere aanpak ontwikkeld worden.
De overheid moet voorwaarden creëren voor een gunstig opgroeiklimaat voor àlle kinderen. Dat doel heeft zij zich ook wel gesteld. In de uitwerking is de nadruk echter te eenzijdig op risico’s komen te liggen. Er is dus een accentverschuiving nodig dat vergelijkbaar is met het tweesporenbeleid in de gezondheidszorg. Naast curatieve zorg bestaat er beleid gericht op een gezonde levensstijl. Naast het behandelen van obesitas bij kinderen in een kliniek, is het van belang een gezonde leefstijl voor alle kinderen te propageren. De overheid kan via beleid dat gemakkelijker maken, niet alleen door goede voorlichting op consultatiebureau’s en gezonde schoolkantines, maar ook door een breed aanbod van gezonde voorzieningen. Het type gezinsbeleid dat de RVZ en de RMO voorstellen is ook zo te beschouwen. Het is omgevingsgericht beleid dat gezinnen en kinderen moet ondersteunen in het bevorderen van de opvoedkwaliteit en het opgroeiklimaat.
Dit type gezinsbeleid zal creativiteit vergen en een lange adem. Direct ingrijpen bij problemen heeft het voordeel dat het overzichtelijk is. Je kunt haalbare doelen stellen (zoals een kind uit huis plaatsen bij gevaar) – en als je dat ook doet kan de actie gelden als een compleet succes.
Wil je een betere sociale inbedding bevorderen, dan zijn de doelen veel moeilijker
te omschrijven en is de aanpak van de overheid indirect. Ook zijn de lijnen tussen de acties en de resultaten veel minder duidelijk. Toch is er wel degelijk beleid op te voeren, langs twee wegen. Elk zullen ze bijdragen aan meer sociale cohesie.
Op de korte termijn is het nodig de onderlinge steun te stimuleren
Aan de ene kant kunnen ideeën ontwikkeld worden om te stimuleren dat mensen meer contact met elkaar gaan leggen. Zo kunnen scholen gestimuleerd worden om regelmatig ouderbijeenkomsten te organiseren, waar mensen met elkaar kunnen praten over dilemma’s in de opvoeding en contacten kunnen leggen. Uit onderzoek dat voor dit advies werd verricht blijkt dat de kosteneffectiviteit van dergelijke initiatieven gunstig kan zijn.
Ook professionals, uit de (jeugd)gezondheidszorg, sport- en recreatie en het onderwijs moeten veel meer gericht zijn op de sociale omgeving van kinderen. Zelf zullen zij nooit de plaats in kunnen nemen van een betrokken omgeving, maar zij kunnen wel veel meer dan nu gebeurt de sociale en familiale omgeving inschakelen en activeren als er problemen zijn. Deze benadering zou vanzelfsprekend onderdeel van hun beroepsmatig handelen moeten zijn.
Op de lange termijn is een andere inrichting van onze omgeving nodig
Allerlei ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat gezinnen minder geworteld zijn in hun sociale omgeving. We hadden het al over de individualisering. Maar er zijn natuurlijk ook andere factoren. Zo is de inrichting van onze omgeving flink veranderd – ook iets wat invloed heeft op de kans dat we banden hebben in onze buurt.
Wonen en werken doen we vaak op heel verschillende plekken. Winkelen is ook lang niet altijd meer een kwestie van even naar de hoek van de straat. Sportvelden liggen aan de rand van de stad, dichter bij bedrijventerreinen dan bij woningen. Vrienden en familie wonen verspreid. Gevolg: op de ene plek bewegen we ons in een andere sociale kring dan op de andere plek, wat het geheel minder hecht maakt.
Dergelijke gevolgen moeten meegewogen worden in de ruimtelijke ordening van de toekomst. Het is belangrijk dat wijken ruimte bieden aan verschillende soorten woningen (zodat ouderen en jongeren dicht bij elkaar kunnen wonen) en dat allerlei voorzieningen (werk, scholen, recreatie) in de buurt beschikbaar zijn. Nieuwe wetgeving in dit kader kan borgen dat kinderen gunstig kunnen opgroeien.
Zo moeten speelvelden en speeltuintjes bijvoorbeeld niet de sluitpost op de begroting vormen. Als wij als maatschappij kinderen belangrijk vinden, of het nu onze eigen kinderen zijn of die van de mensen om ons heen, dan zullen we hen een duidelijke plaats moeten geven in ons midden – letterlijk en figuurlijk.
