Sla inhoud over

Samenvatting

Aanleiding: verbeteringen zijn nodig
Sommige mensen hebben psychiatrische of ernstige psychische problemen én leveren gevaar op voor anderen. Het betreft bijvoorbeeld mensen die lijden aan schizofrenie of een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die anderen schade berokkenen, leed veroorzaken of strafbare feiten plegen. Goed omgaan met deze mensen is een moeilijke opgave. Ze maken deel uit van twee werelden. Die van de zorg en die van justitie, die zich in de praktijk moeizaam tot elkaar verhouden.

Allereerst kampt een aanzienlijk deel van de gedetineerden in Nederlandse gevangenissen met psychi(atri)sche problemen, die niet altijd behandeld worden. Ten tweede zijn de recidivecijfers hoog. Binnen vier jaar na ontslag uit de gevangenis is 66% opnieuw veroordeeld voor een misdrijf. Ten derde – en in samenhang daarmee – zijn er knelpunten in het begeleiden van (ex-)gedetineerden bij hun terugkeer naar de maatschappij. Als beter en langer nazorg zou worden verleend, zou het risico op terugval kunnen worden verkleind. Tot slot komen psychiatrische patiënten die overlast veroorzaken niet altijd tijdig in beeld bij de hulpverlening. Daardoor kunnen zij terechtkomen in situaties waarin zij delicten plegen die mogelijk hadden kunnen worden voorkomen.

De vraagstelling van het advies luidt: hoe kunnen we beter omgaan met delictplegers met psychi(atri)sche problemen?

Analyse: de systemen passen niet bij de problemen
Mensen met psychi(atri)sche problemen die delictgevaarlijk zijn, zitten klem in ‘systemen’ die niet goed bij hun situatie passen. Zorginstellingen komen pas in actie als er een duidelijke hulpvraag is, maar het probleem van personen uit de doelgroep van dit advies is dat ze vaak geen hulpvraag kunnen formuleren. Om hun verantwoordelijkheid te dragen, hebben zij een structuur, een context nodig, vaak gepaard aan een vorm van disciplinering. Deze ontbreekt echter, met als gevolg een toenemende kans om in aanraking met justitie te komen. De strafrechtketen waarin ze vervolgens terechtkomen, staat primair in het teken van een reactie op de daad. Er is minder aandacht voor de noodzakelijke interventies met het oog op de dader, het slachtoffer en de maatschappij.

De dieperliggende oorzaak ligt in een verlegenheid met de vraag hoe we met de groep van delictplegers met psychi(atri)sche problemen willen omgaan. Is het de eerste opgave om het gepleegde delict te vergelden via een passende strafmaatregel, of is het meer van belang om herhaling van een dergelijk delict te voorkomen en de patiënt/dader terug te leiden naar de samenleving? In hoeverre is de samenleving bereid met genoegdoening milder om te gaan naarmate ze weet dat alles in het werk wordt gesteld om herhaling te voorkomen? De prioriteitstelling in doelen is doorgaans niet helder, met als gevolg dat de ‘systemen’ van straf en zorg ieder voor zich, en bovendien aangestuurd door de (vermeende) publieke opinie, voor een belangrijk deel de interventies bepalen.

Mensen met psychi(atri)sche problemen kunnen zo in de verdrukking komen. Nu eens komen ze in de zorg terecht terwijl ze daar niet de benodigde begrenzing krijgen; dan weer belanden ze in het justitiële circuit terwijl ze eigenlijk in reguliere zorgprogramma’s thuishoren. Passende en effectieve interventies zijn eerder afhankelijk van goedwillende en doortastende professionals – die tegen de dagelijkse routine in tientallen telefoontjes plegen om mensen naar een voor hen zinvolle behandelings- en begrenzingssituatie te begeleiden – dan dat deze interventies ingebed zijn in het systeem zelf.

Aanbeveling 1: Kies het basisprincipe van doelstellingen en passende interventies
De RMO adviseert met betrekking tot de omgang met delictplegers met psychi(atri)sche problemen het volgende. Laat niet de keuze tussen het straf- en zorgsysteem de interventie bepalen, maar bepaal eerst de doelen: wat willen we eigenlijk met deze groep bereiken als het gaat om bijvoorbeeld schuldvergelding, recidivevermindering en preventie? De volgende stap moet zijn het zoeken naar passende interventies die deze doelen ondersteunen. Inzicht in ‘wat werkt en wat niet werkt’ kan daarbij slechts ten dele behulpzaam zijn. Belangrijker is te blijven zoeken (dokteren) naar verbeteringen met het oog op gewenste doelstellingen als resocialisatie, recidivevermindering en welzijn van patiënt/dader en slachtoffer. De evidence-based methode zal altijd moeten samengaan met value-based en practice-based methoden.

Aanbeveling 2: Werk aan verbeterde aansluiting straf- en zorginterventies
Door niet langer de keuze tussen het straf- en zorgsysteem centraal te stellen, maar de vraag welk doel met welke middelen prioriteit heeft, ontstaat ruimte voor een betere aansluiting tussen straf- en zorginterventies. Enerzijds dient de zorg zich meer activerend en begrenzend op te stellen, anderzijds dient het strafsysteem meer ruimte te bieden voor passende zorginterventies. De RMO heeft hiervoor drie varianten onderscheiden, met ieder hun eigen waarde en beperkingen. De eerste variant gaat uit van de ingezette beweging van meer zorg binnen strafrechtelijk kader. Zoals in het verleden alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen van de grond zijn gekomen, zo zullen ook een uitgebreidere behandeling binnen detentie, versterking van de nazorg en meer preventieve maatregelen een vaste inbedding in het justitiële proces moeten krijgen. De tweede variant streeft naar een geïntegreerd straf- en zorgsysteem voor de groep delictplegers met psychi(atri)sche problemen. De keuze tussen straf en zorg vindt niet langer volgtijdelijk plaats, maar de interventies worden gelijktijdig door een multidisciplinair team bepaald. De derde variant beoogt de aansluiting tussen straf en zorg te vergroten door deze terug te brengen tot hun oorspronkelijke kerntaken. De rechter houdt zich uitsluitend bezig met de mate van leedtoevoeging en daarmee de duur van de vrijheidsontneming, een ‘zorginstantie’ bepaalt parallel hieraan de noodzakelijke zorginterventies en daarmee de vorm waarin de vrijheidsontneming gestalte moet krijgen.

Aanbeveling 3: Ontsnap aan ‘medialogica’ en blijf communiceren
De RMO adviseert mechanismen te vinden die meer balans brengen op het publieke speelveld waarin burgers, media en overheid opereren. Het belangrijkste is om werk te maken van een goede, objectieve communicatie naar het publiek. Niet alleen na ernstige incidenten wanneer de roep om krachtige maatregelen groot is, maar structureel en permanent. Niet naar aanleiding van één afschuwelijke daad, in de volle emoties van de verwerking daarvan, maar naar aanleiding van de patronen die steeds weer tot dat soort daden leiden. Geen debat over de reactie als het gebeurd is, maar een debat over preventie, herkenning van contexten waarin criminaliteit ontstaat, goed omgaan met slachtoffers en effectieve interventies richting daders. Onderzoeken naar straf- en zorginterventies moeten volgens de RMO zo worden opgesteld dat deze uitgebreide keuzemogelijkheden bij de antwoorden bevatten.

Een kwestie van lange adem
Er lijkt soms bij het onderwerp van dit advies een sfeer van defaitisme te heersen. De vraag is of deze terecht is. Er zijn veel aanwijzingen dat de gevaren die sommige psychiatrische patiënten veroorzaken beter kunnen worden beheerst. Ieder slachtoffer is er één te veel, maar iedere succesvolle interventie die een vermindering van risico’s oplevert, is ook een succes. Echt succes in de beheersing van dit type criminaliteit is een kwestie van een lange adem. Preventie in de jeugdfase levert pas twintig jaar later resultaat op. Of een duurzame gedragsverandering is bereikt waarbij recidive is uitgebleven, is pas op een termijn van vele jaren zichtbaar. Met de interventies van nu creëren we het klimaat van 2020. Dat geldt voor onze veiligheid en voor het leven dat mensen met psychische en psychiatrische problemen dan leiden.