Samenvatting
Nederland bevindt zich in een overgangstijd tussen bestuurlijke paradigma’s. Het paradigma van de verzorgingsstaat, met zijn nadruk op centraal ingrijpen, grootschaligheid, uniformiteit en gelijkheid, past steeds minder bij de veranderde maatschappelijke verhoudingen. Er zijn in de afgelopen jaren dan ook verschillende pogingen gedaan om het bestuur bij de tijd te brengen. Maar de resultaten daarvan stellen teleur, mede omdat de routines van de verzorgingsstaat dominant zijn gebleven, zowel in de verwachtingen die burgers van de overheid hebben als in de manier waarop de overheid ingrijpt.
De Raad beschrijft kort enkele van de dilemma’s die ontstaan uit deze ongelijktijdigheid van het optreden van de overheid en de stand van de maatschappelijke ontwikkeling. De kern daarvan is dat de overheid in een spagaat tussen terugtreden en optreden is geraakt.
Aan de ene kant leeft sterk het idee dat de overheid op tal van complexe terreinen slechts één van de spelers is, die machteloos toeziet op ingrijpende maatschappelijke vraagstukken. Van deze overheid gaat weinig richting uit.
Aan de andere kant treedt de overheid wel degelijk op, mede gevoed door een appèl vanuit de samenleving. Het optreden van de overheid is zeker in het afgelopen decennium sterk geïnspireerd op semi-managementdenken. Dat heeft geleid tot een sterke instrumentalisering van bestuur en politiek en, merkwaardig genoeg, een sterk centralistische inslag van het overheidsbestuur. Gevolgen zijn onder meer een verlicht aanbodbestuur waar vraagsturing wordt beoogd, een opeenstapeling van sturingsinstrumenten, een meetindustrie die alle ruimte voor instellingen insnoert en een systeemlogica waar burgers nauwelijks iets van begrijpen.
Hoe kan de overheid ontsnappen uit de spagaat tussen terugtreden en optreden? De Raad wijst op twee ontwikkelingslijnen die volgens hem de kern vormen van een nieuw sturingsconcept. De eerste lijn is kaderstelling. Die houdt in dat de overheid zich terugtrekt op essentiële kaders en zich van daaruit actief maar op hoofdlijnen met de samenleving bemoeit. De overheid stuurt met enkele kernregels, die enerzijds ruimte bieden aan instellingen, professionals en burgers maar die anderzijds streng worden bewaakt.
De tweede lijn is horizontalisering. Dat wil zeggen dat instellingen en professionals zich veel meer gaan richten op burgers en op elkaar dan op de overheid. De verantwoording wordt zo ingericht dat burgers actief betrokken raken bij het functioneren van de instellingen. En er vindt veel meer onderlinge vergelijking plaats van instellingen en professionals. Horizontalisering vindt wel plaats binnen de gestelde kaders.
De Raad werkt deze twee lijnen uit in zeven opdrachten voor bestuurders.
- Dereguleren: De Raad verwacht dat een jaarlijkse dereguleringsdag in de Tweede Kamer deze lang gekoesterde wens kan versnellen. Aangejaagd door het project Deregulering en Handhaving presenteren de ministeries daar de regels die ze hebben afgeschaft.
- Prioriteren: De overheid maakt, samen met burgers en maatschappelijke organisaties, duidelijke keuzes voor beleidsprioriteiten. Ze stellen beleidsagenda’s op waarin duidelijk staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
- De-organiseren: Verschillende taken die nauw verwant zijn met elkaar, brengt de overheid samen in één organisatie. Neem bijvoorbeeld de handhaving, waar burgers te maken hebben met een veelheid aan normen en instanties. Op dat terrein draagt de-organisatie bij aan meer integrale handhaving en duidelijkheid voor burgers en bedrijven.
- Rivaliteit: Richt de publieke sector zo in dat instellingen en onderdelen van instellingen zich van elkaar onderscheiden en in onderlinge competitie ernaar streven om uit te blinken in kwaliteit voor burgers.
- Feedback: Instellingen en professionals organiseren feedback van burgers en van andere instellingen en professionals over hun functioneren en de resultaten die ze behalen. Kwaliteitshandvesten zijn een goed middel om feedback aan te wakkeren. Feedback is gericht op leren, niet op beheersen en afrekenen.
- Handelingsruimte: Geef ruimte aan burgers, maatschappelijke organisaties, publieke instellingen en professionals om hun eigen passende arrangementen te treffen. Stapel als overheid niet sturingsinstrument op sturingsinstrument, maar beperk je tot kaders op hoofdlijnen.
- Gedifferentieerde verantwoording: De overheid richt de verantwoording zo in dat instellingen en professionals zich naar de overheid verantwoorden op hoofdlijnen. Daarnaast verantwoorden instellingen en professionals zich horizontaal aan burgers en andere instellingen.
Het zal niet eenvoudig zijn om deze opdrachten daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Dat vraagt om politieke moed, en om een consistente aanpak op alle niveaus van het bestuur.

