Samenvatting
De verkiezingscampagne van 2003 heeft zich grotendeels in de media - en dan vooral op televisie - afgespeeld. Het is duidelijk te zien dat de rol van de media groeit en dit roept de vraag op welke invloed ze eigenlijk hebben. Welke rol spelen de media tegenwoordig in de driehoeksverhouding met burgers enerzijds en de overheid / politiek anderzijds? Het is deze vraag die centraal staat in dit advies.
De conclusie van de RMO is dat de publieke agenda nog steeds door politici wordt bepaald en niet, zoals soms wordt gesuggereerd, door de media. De rol van de media laat zich het best omschrijven als decorbouwers van de publieke zaak. De media bouwen het decor op waarbinnen politici hun rol kunnen spelen en daarmee oefenen ze een belangrijke invloed uit op de manier waarop het spel wordt gespeeld.
Het centrale punt in de analyse van dit advies is dat het publieke domein aan medialogica onderhevig is. Daarmee wordt bedoeld dat het publieke debat steeds meer wordt bepaald door de mogelijkheden én begrenzingen van het medium en dan vooral de televisie. De medialogica houdt journalisten en politici gevangen in een prisoner's dilemma: omdat iedereen eraan meedoet kan niemand zich eraan onttrekken.
De opkomst van de medialogica kan niet losgezien worden van de neergang van andere logica"s: die van de politieke partij, de zuil, de vaste achterban, de omroeplogica. Door maatschappelijke veranderingen zijn er integrale markten voor kiezers en kijkers ontstaan waarop hevige concurrentie plaatsvindt en waar ruim baan is voor commercialisering. In betrekkelijk korte tijd heeft een verzuild medialandschap plaatsgemaakt voor een commercieel en concurrerend medialandschap met internationale vertakkingen.
Het optreden van medialogica heeft zowel positieve als negatieve gevolgen. Positief is dat de media functioneren als "waakhonden van de democratie" en berichtgeving op maat brengen voor burgers. Daarmee vervullen de media een essentiële rol in de democratie. Aan de negatieve kant staat daar echter tegenover dat het publieke debat door haast en concurrentie slordig wordt en zich fixeert op schandalen en de korte termijn. Zo kan maatschappelijk cynisme ontstaan en een verlies aan maatschappelijk vertrouwen.
De ontwikkeling van medialogica valt op zich niet te keren. Er zijn fundamentele grondrechten en waarden in het geding die de overheid dwingen terughoudend te zijn in het mediabeleid. Toch zijn er naar de mening van de RMO drie strategieën mogelijk waarmee tegenwicht kan worden geboden tegen de negatieve gevolgen van de medialogica. In de kern houdt dit in dat de overheid de randvoorwaarden voor vrije nieuwsmedia actief bewaakt, dat de media zich nadrukkelijk publiek verantwoorden en dat de rol van burgers door empowerment wordt versterkt.
De eerste strategie is die van actieve vrijheid. De overheid stelt zich op als bondgenoot van essentiële waarden in de media, zoals pluriformiteit en onafhankelijkheid, en stimuleert ze waar dit kan. Het functioneren van de mediamarkt is van minimumvoorwaarden afhankelijk. Er kan bijvoorbeeld geen overconcentratie zijn, er dient redactionele vrijheid te bestaan en er moeten concurrerende visies naar voren worden gebracht. De overheid dient dergelijke voorwaarden te hoeden en te stimuleren.
De tweede strategie is publieke verantwoording van de media. De media hebben een belangrijke positie in het publieke domein en dit geeft ze ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op de wijze waarop zij die invullen mag de samenleving hen aanspreken. Mediaorganisaties kunnen zich veel sterker en veel actiever dan nu naar burgers verantwoorden. Dit versterkt de relatie tussen burgers en media en spoort de media tegelijk aan tot zelfreflectie en innovatie.
De derde strategie tenslotte is empowerment van burgers. Door empowerment wordt de weerbaarheid van de burger versterkt en ontwikkelt hij zich tot effectieve tegenmacht tegen de medialogica. De transparantie van media en empowerment van burgers hangen samen. Transparantie schept de voorwaarden voor burgers om zich te organiseren en een sterke positie van burgers dwingt media-organisaties tot transparantie.
Deze drie strategieën worden in het advies uitgewerkt in concrete aanbevelingen.
- Om de onafhankelijkheid van media te garanderen is een persfusieregeling nodig die maxima stelt aan de marktaandelen van concerns.
- Door horizontale arrangementen zoals visitaties, "public hearings" en kwaliteitshandvesten kunnen media zich aan burgers verantwoorden.
- Een mediawatch-instituut krijgt als opdracht om berichtgeving over hypes, affaires en heikele thema"s te onderzoeken zodat het publieke debat over de werking van de media kan worden gestimuleerd.
- Op de derde donderdag van juni, aan de vooravond van het zomerreces, wordt het jaarlijkse media-politiek verantwoordingsdebat georganiseerd. Journalisten, politici en burgers becommentariëren daar hun eigen en elkaars functioneren in het afgelopen jaar, op basis van analyses en ervaringen.
- De positie van de regionale dagbladen en van de landelijke omroep staat onder druk. De overheid staat nu werkelijk voor de vraag of hij de wetten van de markt zijn werk moet laten doen waardoor een groot deel van de regionale dagbladen en omroepen het loodje zullen leggen of dat hij maatregelen neemt om de pluriformiteit te bewaken. Volgens de RMO dient voor het laatste te worden gekozen.
- De positie van burgers die om rekenschap vragen behoeft versterking door ofwel de instelling van een media-ombudsman ofwel een verzwaring van de rol van de Raad voor de journalistiek.

