Sociale stijgers en dalers
Betrekking hebbend op kabinetsthema ‘Maatschappelijke achterstanden van de toekomst’
Lange tijd was sociale mobiliteit een belangrijk beleidsstreven, als ook een feitelijke praktijk. Generaties lang kwamen kinderen hoger op de maatschappelijke ladder uit (qua opleiding, inkomen, status) dan hun (voor)ouders. Via allerlei institutionele maatregelen (leerplicht, huursubsidie, werkgelegenheidsbevordering en bestrijding van armoedeval) was het beleid van de overheid ook erop gericht om deze verticale mobiliteit te bevorderen.
Maar deze vorm van mobiliteit lijkt om verschillende redenen niet meer vanzelfsprekend. Voor veel (groepen) mensen is er sprake van een ‘plafond’: nog meer stijging dan de ouders is nauwelijks mogelijk. Sterker nog, door de kredietcrisis zou er wel een sprake kunnen zijn van een serieuze daling ten opzichte van ouders. Aan de andere kant is sociale mobiliteit in de verticale betekenis voor velen misschien ook niet per se nastrevenswaardig. Vrije tijd, een leuk huis en goede werksfeer zijn wellicht belangrijker dan een nieuwe carrièrestap. Verder lijken ook huwelijken steeds minder een middel tot sociale stijging, onder andere door het geringe opleidingsverschil tussen partners.
Dit en meer doen de vraag rijzen in hoeverre ons denkkader over sociale mobiliteit (en het daarbij behorende beleidsinstrumentarium) nog passend is. De RMO wil de verschillende ladders waarop mensen zich bewegen in samenhang bekijken. Waar versterken ladders elkaar, volgen ze elkaar op, welke keuzes worden gemaakt of leveren ze dilemma’s en botsingen op? Aangrijpingspunten liggen op meerdere terreinen. Ten eerste kan het helpen meer inzicht te krijgen in de opvattingen en wensen van burgers en bevolkingsgroepen over sociale mobiliteit. Vervolgens is het wenselijk een analyse te maken van mechanismen die ervoor zorgen dat mensen stijgen of dalen. Dat kan door de achterliggende assumpties binnen het (interdepartementale) beleidsinstrumentarium te analyseren. Komt het beleid overeen met de verwachtingen van burgers en wat zijn in algemene zin de effecten geweest van dit beleid ten aanzien van sociale stijging? En in hoeverre is het beleid erop gericht om de samenleving te ondersteunen om op eigen kracht sociale stijging te realiseren?
Het advies is interdepartementaal van aard. Het raakt het vraagstuk van de huursubsidie (ooit bedoeld als tijdelijke ‘verheffingsmaatregel’ maar inmiddels vooral een belemmering voor de doorstroming in de woningmarkt), maar ook de discussie over het ‘stapelen’ van opleidingen. Het betreft de positie van allochtonen die misschien qua opleiding wel verticale stijging vertonen maar dat beperkt kunnen omzetten in loopbaanstijging, als ook de zogeheten ‘beleidsresistente granieten kern’, voor wie de alle inspanningen ten behoeve van verticale stijging tevergeefs lijken te zijn geweest
Centrale vraag: is er een nieuw concept van sociale stijging wenselijk (en welk beleidinstrumentarium past daarbij en welke juist niet) dat burgers in staat stelt om zoveel mogelijk zelf hun keuzes op de verschillende stijgingsladders te maken?
